Categorieën
Artikelen

Zoektocht naar een diepe eenheid tussen de mensen en de natuur

Hij verruilde zijn studie tot sportinstructeur aan het CIOS voor het bestaan als schilder. Van een volle klas naar een stil atelier, van een enigszins zeker bestaan naar een onzekere toekomst. “Toch bracht het me dichter bij de wereld”, weet schilder Martijn Lucas van Erp.

Zijn atelier is gevestigd op de vierde verdieping van de oude technische school aan de Rector Driessenweg in Heerlen. Tot 1968 hoorde het pand bij het toenmalige Sint Jozefziekenhuis. Na sluiting deed het nog een tijd dienst als stadskantoor en technische school. Nu staat het zo goed als leeg. Het gebouw steekt grauw af tegen de blauwe lucht. In het lege, schemerige trappenhuis bekruipt je het gevoel van isolement. Lege lokalen, donkere gangen achter grote bruine klapdeuren. Geen mens die er nog doorheen loopt. Of toch? Van Erp lacht, hij heeft zo zijn ervaringen en bevindingen in het gebouw. “Vooral ’s nachts hangt er een heel speciale sfeer.”

Die sfeer verandert in een oogwenk als de schilder de deur van zijn atelier opent. Licht, frisse lucht en vooral kleurige schilderijen aan de muur en op de grond. De deur naar het balkon staat open. Vanaf de vierde verdieping is er een adembenemend mooi uitzicht over het Aambos en de begraafplaats. De treurwilgen kronkelen hun takken als beschermende armen om de graven. Of dat een prettig uitzicht is, het kerkhof? Van Erp lacht: “Het is goed om er aan herinnerd te worden dat we nog leven.”

Op dat balkon heeft hij al heel vaak staan te schilderen. Gefascineerd door de natuur en licht heeft de jonge schilder al menig landschap in een schilderij proberen te vangen. Avondlicht, zonsopkomst, dreigende onweerswolken. Van Erp mengt de kleuren op zijn palet net zolang tot het ’t juiste gevoel weergeeft. “Want dat is voor mij heel belangrijk”, onderstreept de kunstenaar, “ik zoek naar een diepe eenheid tussen ons en de ons omringende natuur en geef dat weer in schildertaal.”

Martijn Lucas van Erp kwam 37 jaar geleden ter wereld in de vroedvrouwenschool in Heerlen. Hij woonde in Heerlen, Landgraaf, Aruba, Baarn, terug naar Limburg naar Landgraaf en uiteindelijk weer in Heerlen. Als 18-jarige kreeg hij een rondleiding door de woning van kunstenaar Michel Huisman. Een mijlpaal in zijn leven, zou later blijken. “Ik studeerde voor sportinstructeur op het CIOS, maar voelde me ver van de andere studenten verwijderd; de communicatie verliep nogal moeilijk. Tijdens die rondleiding door Huisman gingen mijn ogen open. Sommige van zijn werken raakten me diep, andere werken vond ik bruut. Huisman had meteen door dat ik een speciale kijk op kunst had en dat ik het wel in me had om zelf te creëren.”

“Ik heb al het geld van mijn spaarrekening gehaald en ben naar Victor 4Art voor Kunstschilder- en tekenmaterialen gegaan om verf te kopen. Met de opleiding op het CIOS ben ik gestopt en al zwervend van HAVO/MBO en reclame schilderen en tekenen kon ik op mijn 21e zonder Havodiploma naar de kunstacademie. In 2000 zat ik al in dit pand, met nog 24 andere bewoners. Door omstandigheden ben ik naar Maastricht verhuisd en later naar Geleen. Uiteindelijk ben ik hier terug gekomen. Hier voel ik de goede vibes. Komt zeker door de creatieve vakken die op de technische school werden gegeven”, lacht van Erp. Dan weer ernstig: “De stilte, het licht, de ruimte en de natuur, je kunt je als schilder geen betere plek wensen. ’s Morgens wandel ik hier door het bos naar toe, ben ik al opgeladen als ik op mijn werk kom.”

Meestal is hij zes maar soms ook zeven dagen van de week te vinden in zijn atelier. Daar begint hij de dag met een vast ritme. Ontbijt, ondertussen televisie kijken en dan aan de slag. “Als ik op een nieuw doek begin, moet eerst dat witte weg”, lacht van Erp. “Dat doe ik door bevuilde terpentine over het doek te smeren. Dan begin ik kleur in het doek te duwen en wacht ik af wat er gebeurt. Ik werk van dun naar dik. Is het niets, krab ik het doek af en begin meteen opnieuw. Of ik enthousiast ben of in een roes schilder is heel belangrijk. Dan wil ik per se die kleur en die verf en dat zorgt dat ik doorga. Schilderen is voor mij een communicatievorm en alles moet kloppen.”

“Ik zoek naar schoonheid en wil zelf ook blij worden van iets nieuws. Naast troost vind ik dat er in een werk ook de pijn van het leven moet zitten. Gevoelens die bij me opkomen moeten zo goed mogelijk in het schilderij te zien zijn. Ik wil geen vragen oproepen, ik wil dat het werk een verhaal vertelt, de antwoorden moeten in het doek te vinden zijn. Schilderen is een samenwerking met het moment en met iets dat buiten mijn bewustzijn om gebeurt en dat zorgt voor verrassingen. De werken zijn een eigen, op zichzelf staande wereld, met een eigen onveranderlijk licht dat daar schijnt. Een plekje, dat een stukje van het onderzoeks-dagboek van het leven van nu duidt en verwoordt. Ik lees mijn werken als een dagboek, lees alles in de kleur en de totaalsfeer en vaak beantwoordt dat aan iets dat ik moest verwerken, aan het gevoel van dat moment. Van te voren weet ik niet wat er op het doek gaat gebeuren, maar als het er staat is er vaak die verbintenis met het gevoel, iets dat ik zelf zie en begrijp, maar wat anderen ook ervaren.”

Martijn van Erp noemt het een interactie met iets dat hij niet in de hand heeft. “Het is meer dan mijn gedachten en sturing. Als ik het stuur, wordt het niets. Het is niet mijn ego dat schildert, want dan mislukt het hopeloos. Ik moet loslaten, wil ik tot iets nieuws komen.”

De natuur is de plek waar hij zijn inspiratie vindt. Maar ook in zijn atelier vindt hij de gedrevenheid om te schilderen. Dagelijks observeert hij er het licht dat verandert met het verstrijken van de minuten. Ergens op de muur, tussen zijn schilderijen staan een paar titels geschreven. “Als ik een mooi nummer op de radio hoor, wil ik weten wie de band is en wat de titel is, zodat ik het terug kan luisteren. Ook heb ik nog een hele stapel cassettebandjes met opnames van 1993 tot nu. Dan zat ik, toen nog bij mijn ouders, thuis op de grond met mijn cassetterecorder naast me en nam ik alle mooie muziek op. Ik luister er tegenwoordig nog naar, tijdens mijn werk.”

Ook het materiaal moet kloppen, zoals de verf. Op een glasplaat, afkomstig uit het oude Glaspaleis, mengt hij de kleuren. Inmiddels hebben zich de vele lagen verf van jaren werk als een dikke korst op de plaat opeengestapeld. “Kijk”, zegt van Erp en hij mengt enkele kleuren tot een lila-paarse kleur, “magenta, dat was mijn favoriete schaduwkleur. Nu heb ik een nieuwe kleur.” Hij wijst naar een fluoriderend oranje. “Mijn vriendin zei ‘gadverdamme’. En ik dacht ‘die moet ik hebben’.”

Michel Huisman heeft hij nog wel eens ontmoet, maar uiteindelijk is van Erp zijn eigen weg gegaan. Schilderen is inmiddels zo met zijn leven verweven, dat er zonder schilderkunst geen Martijn zou zijn. “Wat ik zou gaan doen als ik door bepaalde omstandigheden niet meer zou kunnen schilderen? Ik wíl er niet eens over nadenken.”

Categorieën
Limburg Plus

Schrijfster Connie Palmen: ‘Mijn werk is een manier van leven’

Haar debuutroman ‘De Wetten’ was European Novel of the Year 1992, winnaar van het Gouden Ezelsoor voor het bestverkochte literaire debuut,  werd genomineerd voor de International Impac Dublin Literary Award en in 25 landen vertaald. Onlangs is haar laatste roman ‘Logboek van een onbarmhartig jaar’ (2011) vertaald in het Duits en rondde ze een tournee door  Duitsland af. Schrijfster Connie Palmen (1955) groeide samen met drie broers op in St. Odiliënberg, een dorp bij Roermond. “Het was een landelijke omgeving, met bossen, korenvelden, weilanden en een rivier”, weet Palmen, die in 1978 naar Amsterdam verhuisde.  “Voor de schoonheid ervan kreeg ik pas oog toen ik er niet meer woonde, maar ik genoot ervan om buiten te zijn.”

Het idee om Palmen te interviewen ontstaat  op 9 september 2012 tijdens het literaire evenement ‘Schrijf, schrijver, schrijfst’, in de ECI Cultuurfabriek in Roermond; een warme zomerse dag en arm in arm met haar moeder komt Palmen de zaal binnen. Ze is één van de schrijvers die door Leon Verdonschot worden geïnterviewd. Open en eerlijk beantwoordt ze de vragen die haar hij haar stelt, vooral over het verdriet na het overlijden van haar echtgenoot oud-minister Hans van Mierlo, op dat moment ruim twee jaar geleden. Haar smalle in te ruime bruine laarzen gestoken benen over elkaar geslagen; haar kleine lichaam verdwijnt welhaast in het pluche van de paarse bank.

Na het optreden signeert de schrijfster haar boeken. Of ze in is voor een interview? “Probeer het volgend jaar nog eens”, is het antwoord.  Inmiddels beantwoordde ze de vragen die haar werden gemaild. Niet alle, want dat zou te veel tijd kosten, mailt Palmen terug. Het bevestigt het beeld van de schrijfster, een vrouw die weet wat ze wil en vooral wat ze niet wil. Moeilijk te benaderen, zo lijkt het, maar als je haar hart hebt laat ze je niet meer los. En twee keer moest ze laten gaan, op een van de meest dramatische manieren die een mens kan overkomen: de dood.

Logboek                                                                                                                                                                                                                                                                                                               In 1995 overlijdt haar toenmalige echtgenoot en journalist Ischa Meijer. Bijna vier jaar na de plotselinge dood van Meijer ontmoet ze de voormalige minister van Buitenlandse Zaken Hans van Mierlo met wie ze na elf jaar en elf dagen, op 11.11.2009, in het huwelijk treedt. Op 11 maart 2010, na een ziekbed van zes weken, overlijdt van Mierlo op de intensive-careafdeling van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam.

Haar laatste roman ‘Logboek van een onbarmhartig jaar’ is het aangrijpende verslag van de hunkering naar een verdwenen lichaam, van zelfverlies, woede en van de liefdevolle herinneringen aan een prachtige man, zo beschrijft uitgeverij Prometheus het boek.

 ‘De schaamte als ik over straat ga, zuchtend, blazend, kreunend. Zonder hem kan ik nauwelijks lopen. Als ik word gadegeslagen weet ik dat anderen vooral iemand niet zien. Ik ben iemand niet. Ik ben bespottelijk alleen. Sommige mensen slaan een hand voor hun mond als ze me ontwaren.’

Een passage uit het boek, waaraan Palmen 48 dagen na het overlijden van van Mierlo begint te schrijven. Ze maakt aantekeningen, een logboek van het rouwproces en ze weet bij voorbaat dat ze na zijn overlijden alle woorden en zinnen nog eens moet doorspitten, schrappen daar waar nodig, maar ook de pijn en het verdriet weer opnieuw moet beleven en voelen. “Het was een zelfkwelling”, weet de schrijfster. Toch ging ze door. In tegenstelling tot het boek I.M. dat Connie Palmen drie jaar naar het overlijden van Ischa Meijer schreef, ligt ‘Logboek van een onbarmhartig jaar’ al in november 2011 in de winkels. “In het logboek beschrijf ik een omslag van het noodzakelijke registreren, naar het bewerken en uiteindelijk literair vormgeven van het werk. Het is ook de omslag, waardoor het schrijven van het logboek me steeds meer ging bevallen en me tenslotte bracht wat schrijven me altijd brengt, namelijk het geluk van het maken.”

“De lezers reageren massaal en vaak ontroerend”, vertelt Palmen. “Hetzij door het medeleven dat er in de brieven geuit werd, hetzij door de dankbaarheid van lezers die een van de verschrikkelijkste ervaringen uit hun leven beschreven zagen.”

In Nederland haalt het boek de top 10 van meest gelezen boeken, maar een doorslaand succes wordt het niet. Palmen:  “Het logboek is een overweldigend succes in Duitsland. Dat is het prettige aan vertalingen, dat een boek in een ander land een tweede kans krijgt.”

Verslavingskliniek                                                                                                                                                                                                                                                                                              De jaren die achter haar liggen waren doordrenkt van verdriet. Onlangs schreef NRC Handelsblad dat Palmen zich twee maanden geleden meldde bij een verslavingskliniek. De schrijfster gaf toe na de dood van van Mierlo meer te drinken dan ooit en vrienden en familie van zich te vervreemden. “Na een paar dieptepunten kon ik het niet meer negeren,” zegt Palmen in het artikel.  “Dat is de reden dat ik besloot te stoppen. Het móést.”

Nu, ruim twee maanden later zegt Palmen dat het goed met haar gaat. “Ik heb liefdevolle vrienden, een groot huis waar ze graag komen eten, drinken en logeren. En ik heb natuurlijk mijn werk, dat ik niet als werk ervaar, maar als een manier van leven.”

Dat er veel kritiek is, op Palmen als schrijfster en als mens, ze reageert er ogenschijnlijk laconiek op: “Het is het logische en te verwachten resultaat van een leven dat zich voor een deel in de openbaarheid afspeelt en ik ben er erg onverschillig onder.”
                                                                                                                                                                                                                                                        Jeugd                                                                                                                                                                                                                                                                                                                       Door de jaren heen schreef Connie Palmen romans, essays en beschouwingen , ontving ze prijzen en zette handtekeningen. Van het lezen en studeren voor en het nadenken over een boek en dan van het schrijven ervan wordt de schrijfster het meest gelukkig, geeft ze aan. Deze zomer begint ze aan een nieuw boek met de titel ‘Judas’, een nieuwe roman, waarin Palmen het genre van de biografie en het verband tussen verraad en openbaring onderzoekt. Of Limburg nog een rol speelt in haar werk? “Limburg niet,  maar eerder mijn jeugd. Het hoe en waarom je de persoonlijkheid vormde waarmee je je door het leven slaat.”

Limburg Plus juni 2013

Categorieën
Column

Op de korrel

Het zand kraakt onder onze schoenzolen in café Hoppe. Het is één van de oudste etablissementen van Amsterdam, opgericht in 1670, in eerste instantie als distilleerderij met een proeflokaal. Een café waar harde muziek uit den boze is, de plek waar een goed gesprek nog op waarde wordt geschat en waar het zand op de vloer herinnert aan vroeger tijden toen men nog pruimtabak kauwde en het goedje op de grond spuwde.

We strijken neer op een houten bank aan de muur, bier en wijn bij de hand. Terwijl aan de bar een dame en heer hun ervaringen uit het Jappenkamp delen, sluit stamgast Jan zich bij ons aan. Hij wijdt ons in, in de geheimen van het café; de deur tussen de flessen sterke drank die naar de damestoiletten leidt, de ruimtes boven de bar waar vroeger de medewerkers van de distilleerderij vertoefden. We hangen aan zijn lippen. Als de woorden eenmaal zijn ontketend, is de stroom niet meer te stoppen. Af en toe lukt het ons er een vraag tussendoor te gooien. Want Jan zal in al die jaren toch wel heel bijzondere dingen hebben meegemaakt in het café? Nou en of! Vooral die keer toen een jongedame zijn kruk wilde delen. Niet ieder met een bil op het randje, nee nee. Terwijl Jan wijdbeens de kruk bemande, plantte de dame haar billen in zijn kruis. “Ze zat er letterlijk bovenop”, wijst Jan naar beneden. Terwijl Jan zich de gehele avond niet durfde te verroeren, genoot de dame van haar steuntje in de rug. Aan het eind van de avond bedankte ze Jan voor het delen van de kruk en weg was ze. “Ja, dat maak je hier allemaal mee”, besluit Jan zijn verhaal. Dan schiet hem ineens te binnen dat ook Willem Alexander al eens een pintje in Hoppe heeft gedronken. “Hij schudde me de hand. Van Buren, stelde hij zich voor. Dat is zijn schuilnaam. Maar ik herkende hem meteen. Gewoon gezellig iets gedronken en dat was het”, veegt Jan het schuim van z’n snor. Het tweede biertje en wijntje hakken er nogal in op onze lege magen. Na een uitgebreid afscheid van Jan trekken we Amsterdam weer in. We hebben van Jan genoten. Zijn verhalen nemen we met een korreltje zand.

Categorieën
Artikelen

Nic. Tummers “Toekomst kunst is niet esthetisch, maar urbaan”

Functionele kunst en denkbeelden, veelal gecreëerd en bedacht vanuit commercieel oogpunt; de Heerlense kunstenaar, architectuurkenner en politicus Nic. Tummers (84) kon en kan er nog altijd niets mee. Samen met zijn vrouw, beeldhouwster Vera van Hasselt, bewoont hij de woning op de kop van de Schoolstraat in Heerlen. Met uitzicht over de rotonde en op één van de vrouwenbeelden die Heerlen aan het lachen proberen te maken.

Terwijl zijn vrouw op het stoepje voor de achterdeur in de zon de krant leest, nodigt Tummers zijn bezoek in de werkkamer. Volle boekenplanken, archiefkasten, kunstwerken en stapels papieren. Hoewel hij wat betreft zijn leeftijd tot de zeer sterken gerekend mag worden, blijkt uit niets dat deze geboren en getogen Heerlenaar op zijn lauweren rust. “Over een paar maanden word ik 85.” Hoewel het grappig is bedoeld, klinkt er een ernstige ondertoon, als hij zegt: “Ik zit nu op veertig procent van mijn laatste kwartaal.”

Om zijn verzameling boeken (het zijn er achtduizend) een goed onderkomen en doel te bieden, werkt Tummers aan een plan; de woning met daarin de boekenverzameling zou onderdeel kunnen worden van een kunsthistorische route door de stad. “De boeken staan niet op alfabet, maar zijn gecategoriseerd op onderwerpen als onder andere beeldende kunst, architectuur en filosofische denkbeelden. Mijn idee is, dat Heerlen de woning met alles wat ik daarin verzameld heb, overneemt. Dat geheel is in feite het fundament van het Architectuurcentrum Vitruvianum.”

Als beeldend kunstenaar gokte Tummers op de moderniteit van Heerlen. Hij doorliep de HBS van het Bernadinuscollege. Uiteindelijk koos Tummers voor de academie in Maastricht, de toenmalige kunstnijverheidsschool. “Die school gedroeg zich als een vrije academie. De tendens was gericht op toegepaste kunst. Denk aan glas-in-loodramen in de kerk of een kunstwerk voor een jubileum. De werkstukken moesten van toepassing zijn. Dat vond ik vervelend en opgedrongen. Ik zocht naar vormgeven van de openbare ruimte; hoe maak je grote ruimtes niet alleen functioneel en commercieel, maar ook, hoe staat kunst in dienst van leefbaarheid en doet het dienst als uitdrukking van de manier van leven.”

Hoewel hij er niet op zijn plek was, maakte Tummers de opleiding af. “Na die studie bleef ik met de vraag zitten: wat doe ik met wat ik geleerd en ervaren heb? Ik leerde er het vak, maar de inspiratie was niet die inspiratie die ik zocht.” Tummers moest in militaire dienst. “Dat was in 1949. Na die dienstperiode moest ik serieus kiezen wat ik wilde gaan doen. Ik las een oproep in de krant van een ontwerpwedstrijd voor een ‘monument voor de onbekende politieke gevangene’. Ik deed mee aan de prijsvraag, een opgave die te maken had met meer dan alleen toegepaste kunst. Precies dat wat ik wilde doen. Ik had succes en eindigde bij de laatste tachtig van de wereld. Er waren drieduizend inschrijvingen. Via die organisatie kwam ik in contact met beeldhouwer Henri Moore, die me uitnodigde in zijn atelier bij Londen. We spraken die dag over het vak, wat hij deed en wat ik geleerd had. Moore vond samen met Sandberg, de toenmalige directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam en lid van de jury van de ontwerpwedstrijd, de mogelijkheid voor een Franse studiebeurs; in 1954 vertrok ik naar Parijs.”

We hebben het over het Parijs van de jaren vijftig. Waar het existentialisme de openbare culturele sfeer bepaalde. Artistieke en politieke discussies buiten op de terrassen; Tummers dompelde zich er in onder. “Het was het Parijs van de dekolonisering. Politiek geëngageerde kunstenaars waren aan de orde van de dag. We deelden onze denkbeelden voor de nieuwe maatschappij, want één ding was zeker: het moest niet meer worden, zoals voor de oorlog.”

Ook de Académie de la Grande Chaumière werkte er aan mee, dat Tummers steeds meer zijn weg vond als kunstenaar. “De academie bood verschillende programma’s. ’s Morgens volgde ik de lessen en ’s middags had ik alle middelen van de academie tot mijn beschikking. Op vrijdag kwam beeldhouwer Ossip Zadkine praten over de resultaten. Dit programma sloot helemaal aan bij wat ik zocht.”

Terug in Nederland ging Tummers verder met het ontwikkelen van zijn eigen ideeën. “Ook hier participeerden kunstenaars in beleidsbepalingen en ontstonden er nieuwe vormen van kunstenaarsverenigingen.” Toch was het moeilijk die ideeën in Limburg onder de aandacht te brengen. “In mei 1954 schreven de bisschoppen een kerkelijke brief. Daarin stond hoe de geestelijken vonden dat er in de naoorlogse maatschappij keuzes moesten worden gemaakt voor de richting van het leven. Linkse denkbeelden moesten worden bestreden. Dus geen VARA-gids, geen lidmaatschap van de Partij van de Arbeid. Ik maakte die keuze wél en werd lid van de PvdA. Op die manier heb ik de kans gegrepen mijn artistieke denkbeelden ook politieke lading te geven.”

Een van Tummers visies was: je moet niet alleen mooie beelden op de kaart willen zetten, maar eerst moet je die kaart veranderen. “Grote evenementen zijn altijd commercieel, zaken die de stad bekend maken en waar men aan verdient. Neem nu de Heiligdomsvaart in Maastricht. De vraag is niet hoe moeten we met het leven om gaan, al dan niet bekeerd, of van het geloof gevallen. Nee. De vraag is, hoe is de hotelbezetting tijdens een evenement, hoeveel pilsjes worden er verkocht.”

Ook benaderde hij zaken net even anders. In de discussie of er al dan niet een universiteit naar Maastricht moest komen, zei Tummers indertijd het volgende: “Als reden om de universiteit naar Limburg te halen werd aangegeven dat Brabant een universiteit had én Twente én Groningen. Ik zei, je moet niet jaloers zijn, maar aantonen dat je in je leven niet volledig aan je trekken komt als je die universiteit niet hebt. Dat het nodig is om je in het leven te ontplooien, om inzichten te ontwikkelen en een wereldbeeld te vormen. In 1966 stichtte ik de ‘Universiteit van de Socio-ruimte’. ”

Zijn eigen bijdrage aan dat wereldbeeld werd in die tijd niet gewaardeerd. Bij de bouw van de parochiekerk op het Bekkerveld vroeg architect Peutz aan Tummers de kruiswegstatie vorm te geven. “Het bekende verhaal van Veronica, de vrouw die het aangezicht van Christus afdroogt, gaf ik een erotisch tintje. Het werk werd niet geaccepteerd en ik heb het nooit afgemaakt. Dat wil zeggen, één sculptuur in brons staat in de kerk. De andere ontwerpen bewaar ik hier in huis.”

In de loop der jaren drukten Tummers en zijn vrouw hun stempel op Heerlen. Beelden van Vera van Hasselt waren onder andere D’r Koeëb va Heële en ‘t Roeëd Truud. Tummers zette zich er onder andere met hart en ziel voor in om het Glaspaleis voor Heerlen te behouden. “Ik heb Heerlen als mijnstad leren kennen, een stad die een modern karakter had. Maastricht was wel interessant met haar oude gevels. In Heerlen waren geen oude gevels, maar daar verrees uit een dorp een moderne stad, met moderne architectuur, het was gemakkelijk om je hier te vestigen en een toekomstverwachting te hebben die niet in de oude clichés bleef hangen. Maar daar moet je wel mee om kunnen gaan. Dat was juist het spannende in Heerlen, oude en nieuwe denkbeelden naast elkaar. De oude toren van de Pancratiuskerk op spuugafstand van het moderne Glaspaleis.”

Of het Maankwartier daarop een goede aanvulling vormt? Getergd wendt Tummers zijn hoofd af. “Het Maankwartier, daar moet ik niets van hebben, architectonische flauwekul. Heerlen, dat nog steeds in ontwikkeling is op dit moment, heeft geen toekomstig leven voor wat daar allemaal moet gebeuren. Laat mensen vanuit Welten of Molenberg richting de plek lopen waar het Maankwartier moet verrijzen en een briefje pakken bij elke lege etalage die ze tegenkomen. Aan het eind van de rit heb je een enorme berg met lege briefjes. De jongen die het bedacht heeft, is een meester in de verkoopkunst, hij heeft de politiek om zijn vingers gedraaid. Het Maankwartier is een bühnestuk.”

Tekst: Sandra Israel
Foto’s: Ziggy Beckers

Categorieën
Artikelen

Gien Visser: ‘Terschuren, een kern met pit!’

Een klein smal straatje tussen Hoensbroek en Nuth; sommige huizen wat vervallen, het toilet nog als apart huisje in de tuin. Een andere voorzien van alle luxe, met een enorme poort die nieuwsgierige pottenkijkers op afstand moet houden, omdat de eigenaar van de villa het een en ander op zijn kerfstok heeft. Zo herinner ik me de Terschurenweg, waar ik in 1964 op nummer 53 werd geboren. Een huis waarvan, zo lees ik op internet, in 1880 de eerste stenen werden gelegd en waar in datzelfde huis nog geen elektriciteit was, toen mijn ouders erin trokken. Ook was er geen gas, gebruikten we kolen en later olie om te stoken.

Ik herinner me spannende wandelingen in het bos achter ons huis, water in de gang en slaapkamers als het weer eens hard had geregend en de putten het regenwater niet meer konden slikken, fietstochten naar school, langs een stille weg die voerde langs café Tabak waar de ganzen als waakhonden hun terrein verdedigden. Ik herinner me dronkaards die uit datzelfde café kwamen en niet goed meer konden inschatten hoe smal onze straat was en die hun auto tegen ons huis parkeerden. Ik herinner me het spelen met mijn Nederlandse en Italiaanse vriendjes en vriendinnetjes, de wei met schapen en koeien voor ons huis, waarvan ik op school vertelde dat die van ons was, verstoppertje spelen in het koren, zwemmen in het zwembad van familie Mrosek , eieren kopen bij oma Stanish, een oude Poolse dame, altijd gekleed in zwarte jurken, hoofddoek om het hoofd en met een enorme schuur achter het huis waar we wel eens in het hooi mochten spelen.
Tien jaar woonden we in de Terschurenweg, of Terschuren in de volksmond, maar het waren jaren die om verschillende redenen indruk hebben gemaakt op mijn ouders en mij.

Inmiddels is er in het straatje geen enkele woning meer te vinden met het toilet in de tuin. De huizen zijn stuk voor stuk gerenoveerd, opgeknapt en in het bezit van mensen die genieten van het stukje rust en natuur in de nabijheid van Heerlen en Nuth.
Wateroverlast was er wel nog heel lang”, herinnert Gien Visser (1929) zich. Tante Gien voor mij, ze was de moeder van mijn vriendinnetje in de tijd dat wij er woonden. “Maar ook de Geleenbeek veroorzaakte nogal wat overlast. Zeker toen eind jaren tachtig en begin jaren negentig een deel van de beek is opgeknapt en gekanaliseerd. Zo’n dertien rioleringen mondde uit boven de beek, het afval stroomde meteen weg. Na de aanpassingen bleef het afval op een stenen rand liggen, met alle overlast van dien. Zeker als het een tijd niet geregend had. Klaas, mijn man, heeft toentertijd nog met een foto in de krant gestaan. Zelf mocht ik ook eens in het dagblad verschijnen. We protesteerden toen tegen de sloop van het bruggetje over de beek.”

Gien Visser woont al geruime tijd aan de Terschurenweg. Ze zag bewoners komen en gaan. Enkele gezinnen wonen er al net zolang als Gien of zelfs al langer. “Vroeger was er wat minder contact onderling”, herinnert Gien zich, “Later werden veel huizen verbouwd en verkocht en in de jaren tachtig ontstond er een buurtvereniging. De bewoners vonden het leuk om samen dingen te ondernemen. We begonnen met een straatfeest. Daarvoor moesten we een tent huren en dat kostte natuurlijk geld. Van de opbrengst van een rommelmarkt hebben we uiteindelijk een tent gekocht. Vanaf 1984 betaalden de leden van de buurtvereniging contributie en het straatfeest groeide uit van een één dag durend feest tot een feest van drie dagen. Op vrijdag werd de tent gezamenlijk opgezet. Zaterdag begonnen we samen met een ontbijt, verder was er een programma voor de kinderen met poppenkast en een goochelaar en voor de volwassenen een diner en een bal met optredens. Op zondag werd de tent weer afgebroken en de restjes opgemaakt. Heel gezellig”, denkt Gien lachend terug. Ook een emotionele herinnering blijkt, als er even een korte stilte valt.
Na verloop van tijd brachten de rommelmarkten, de verhuur van de tent en het buurtfeest ook nog wat geld in het laatje. “We besloten om samen de kapel hier aan de Wingerdweg te onderhouden. Dat begon met een fikse opruiming, want het groen overwoekerde de kapel, kortom, het zag er niet meer uit. We staken samen de handen uit de mouwen. Met medewerking van de harmonie werd de kapel opnieuw in gebruik genomen.”
Maar daar bleef het niet bij. Gien Visser: “Hier even verderop ligt een veldje, dat destijds als uitlaatplek voor honden werd gebruikt. We kregen het plan om daar een jeu de boules-veld van te maken. Op dat moment zagen we een advertentie in de krant. De provincie riep mensen, die iets voor hun buurt wilde doen, op te reageren. De oproep had als titel, ‘een kern met pit’. In onze ogen was dat natuurlijk Terschuren. Een van de bewoners van onze straat schreef een brief en we wonnen een prijs, 1500 gulden, voor ons de hoofdprijs! We maakten een baan en ook die opende we feestelijk met muziek en het doorknippen van een lint.”

Door omstandigheden werd het even wat rustiger in het straatje. De animo om samen te feesten, te jeu-de-boules en de kapel te verzorgen nam wat af. “Maar een aantal jaren geleden ontdekten we dat het saamhorigheidsgevoel in die oude kern nog altijd aanwezig was. We knapten de jeu-de-boules-baan op en namen ook de zorg voor de kapel weer op ons. Inmiddels hebben we ook een nieuwe manier om geld bij elkaar te krijgen om dat alles te bekostigen: bridge drive, verschillende bewoners van Terschuren stellen een dag lang hun huis ter beschikking voor zo’n 40 bridgers. Van de opbrengst onderhouden we de baan en kapel. Ach, ik kan nog uren vertellen”, lacht Gien, “we maakten gewoon overal een feestje van!”
Met veel genoegen kijkt Gien Visser terug op haar leven in het kleine straatje tussen Hoensbroek en Nuth. Ze was 40 jaar toen ze er kwam wonen. “Nu ben ik 85 jaar. Een jubileum toch? Dat moeten we dan maar vieren!”

Uit: Heerlen Vertelt, verhalen van de stad uitgegeven door Heerlen Vertelt in 2015

Categorieën
Artikelen

Dichter Leo Herberghs: ‘Mijn God zit tussen de struiken’

Zijn vrouw Cis opent de deur. Maar al snel staat ook Leo Herberghs zelf in de gang. Hij vraagt zijn bezoekers meteen het hemd van het lijf. Zoals het een echte journalist betaamt. “Maar ik was niet van het nieuws”, verduidelijkt de 87-jarige dichter en schrijver. “Ik schreef korte stukjes over de natuur en over alles wat ik zag.”

De enorme boekenwand in de woonkamer trekt meteen de aandacht. “Allemaal poëzie”, wijst Herberghs naar de vele boeken. Verder hangt er overal kunst van bevriende kunstenaars aan de muren. Kunstwerken waar Herberghs en zijn vrouw tijdens het gesprek regelmatig de aandacht op vestigen. Grote namen die volgens het paar zeker aandacht verdienen in de vorm van een interview. Want tot op dat moment is het echtpaar in de veronderstelling dat het interview zal gaan over schilder Hans Keuls, de kunstenaar die gedichten van Leo Herberghs gebruikte in zijn boek Ritme van de hand. Dat de vragen over het werk van de dichter zullen gaan, betekent even een omslag in denken. Terwijl echtgenote Cis voor de koffie zorgt, laat Herberghs zich langzaam op de grote bank in de woonkamer zakken. Hij laat zich niet van de wijs brengen en blijft in zijn rol van journalist. Hij vraagt, de gasten geven antwoord. Of is dat juist een afleidingsmanoeuvre?

Het literaire werk van Herberghs groeide inmiddels uit tot een imposant oeuvre van dichtbundels, kinderboeken en beschouwend proza. “Refugium was de eerste uitgave”, mijmert de dichter voor zich uit, “o ja, en de bundel Maastrichtse sonnetten.” Voor de hele lijst van uitgaves moet zijn vrouw er de uitgewerkte bibliografie bijhalen en ook die blijkt niet compleet, want door de jaren heen vloeiden er ontelbare woorden uit zijn pen.

verzen zing ik,
kreupele, en geen
dons van vleugels

nergens heen
waait de wind en
ik volgzaam

onbevoegd schrijf ik
takken neer tegen
de ruimte

neer lig ik onder
het spoor van
de regen

(Uit: De heerlijkheid en de windlust, Seismogram)

“Schrijven is een kwaal, daar word je mee geboren.” Herberghs gezicht staat ernstig, maar zijn ogen lachen achter zijn brillenglazen. “Op de lagere school schreef ik al gedichtjes en rijmpjes.” Of hij er met zijn schrijfsels toen al uitsprong? Herberghs haalt zijn schouders op. “Ach, ik sukkelde gewoon door met schrijven. Als jongeman verbleef ik zeven jaar in sanatorium Hornerheide. Ook daar heb ik heel veel geschreven. Wat moest ik anders?”

Herberghs werd geboren en getogen in Heerlen. Hij was redacteur van de Zuid-Limburger in Kerkrade, corrector bij het Limburgs Dagblad en vanaf 1955 verslaggever en rubriekschrijver bij diezelfde krant. “Maar toen kwam de Telegraaf om de hoek kijken en ging het LD op in het Telegraafconcern. Daarvoor heb ik bedankt. Ik nam om principiële redenen mijn ontslag. In die periode dat ik werkeloos thuis zat, heb ik enkele kinderboeken geschreven.” Uiteindelijk trad Herberghs in dienst bij De Limburger en werd hij hoofdredacteur van weekkrant De Uitkijk, dat daar destijds onderdeel van was. Hij publiceerde in die krant vele literatuurrecensies, landschaps- en stadsbeschrijvingen en columns. Ook was hij onder andere lid van de redactie van Nieuwe Stemmen, waarvoor hij ook een poëziekroniek verzorgde. Sinds zijn pensionering in 1986 legt de schrijver zich nog meer toe op het dichterschap.

“Ik ben gevoelig voor woorden en zet ze in een rij”, vervolgt Herberghs zijn verhaal, “dat is toch een mooie bezigheid voor een man van mijn leeftijd? Als je maar bezig bent. En het liefst met zinvolle dingen. Schaken is ook best zinvol. Ja schaken, best een mooie bezigheid,” mijmert Herberghs weer voor zich uit. Maar het allerliefst is hij buiten. In de natuur vindt hij inspiratie. “Mijn God zit tussen de struiken.” En zijn ogen lachen weer.

ik heb mijn god met
ketenen vastgeklonken
aan de wind

hij rukt aan het blad
van de boom, loopt
over de akkers, schudt
tranen erop leeg

verhalen van heiligen
blaast hij in mijn oor,
graaft voorouders op, wil
dat zij opstaan

(Uit: Hij, de langzaamste van allen, 2011, uitgeverij De Contrabas, Utrecht)

Achter het raam blaast de wind de regendruppels als een gordijn heen en weer. Herberghs kijkt naar buiten. “’s Morgens schrijf ik en ’s middags trekken we er op uit. Als het weer het toe laat.” Iedere middag maakt het echtpaar Herberghs een wandeling. Het liefst in het Limburgse Heuvelland. “Terwijl ik wandel, schieten me de woorden te binnen. Maar ook tijdens gesprekken met mensen kom ik woorden tegen die ik in mijn werk wil gebruiken. Sommige woorden die ik per se wil onthouden, schrijf ik op in een klein boekje. Nee, dat boekje ligt niet naast mijn bed. Als me ’s nachts iets te binnen schiet, is het weg tegen de tijd dat ik opsta. Dat is dan jammer.”

Hoewel Herberghs nooit bewust voor het grote publiek koos en zijn eigen koers voer in de wereld van proza en poëzie, kan hij genieten van de reacties van lezers. Zoals laatst, toen er een brief uit Zeeland in de brievenbus lag. “De man schreef over één van mijn bundels: ‘nondeju, wat vond ik dat mooi,’ citeert de dichter, “dat vind ik nou leuk om te horen.”

Zijn blik dwaalt steeds vaker naar buiten. Het wordt langzaamaan tijd voor de dagelijkse portie beweging en inspiratie. Terwijl zijn vrouw het bezoek uitlaat en aan de deur wacht, loopt Herberghs zelf mee naar buiten. De wind rukt aan de panden van zijn colbertjasje en de regen spettert zijn brillenglazen nat. Maar Herberghs heeft alleen maar oog voor de bomen rondom zijn woning. “Mooi hè, dat ontluikende groen.”

April
rond de toverstok van
het gras loopt
de springmuis, peilt met
zijn bek de korte klaarte
van wind, dwingt
knoppen los uit geblaarte

(Uit: Hij, de langzaamste van allen, 2011, uitgeverij De Contrabas, Utrecht)

Tekst: Sandra Israel
Foto’s: Ziggy Beckers

Categorieën
Artikelen

Bisschop Frans Wiertz: ‘Als je anderen probeert te begrijpen, smelt je eigen weerstand’

Hij groeide op in Kerkrade, verliet als 12-jarige het kleinseminarie Rolduc en ging geschiedenis studeren in Nijmegen. Want of het priesterschap iets voor hem was, dat wist Bisschop Frans Wiertz destijds nog niet zeker. Maar hij keerde terug naar Rolduc, studeerde in Kerkrade en Roermond en werd in 1968 tot priester gewijd. “Ik heb nooit spijt gehad van die keuze, heb geen moment getwijfeld.”

Terwijl buiten voor de Abdijkerk van Rolduc de opnames plaatsvinden voor de laatste aflevering van ‘Heer en Meester’ de nieuwe dramaserie van Omroep Max, neemt bisschop Frans Wiertz binnen afscheid van de zusters Franciscanessen van Thuine, die meer dan twintig jaar in de seminariegemeenschap hebben gewoond en gewerkt. Als geen ander kent hij de weg door de lange gangen van Abdij Rolduc. En als geen ander kent hij de geschiedenis van de abdij en de namen en historie van de abten op de schilderijen in het trappenhuis.
Frans Wiertz was de oudste zoon in een middenstandsgezin; het gezin telde uiteindelijk negen kinderen. “Ik was als 18-jarige nog niet zeker van mijn priesterroeping en geschiedenis heb ik altijd heel interessant gevonden. De keuze voor die studie na het gymnasium was dus niet vreemd. Ik kwam geleidelijk aan tot de conclusie dat ze me na de studie waarschijnlijk voor de klas zouden zetten en dat was niet wat ik wilde. In die tijd, ik heb het over 50 jaar geleden, ging men nog iedere dag naar de kerk. Ik ging naar de kerk in Nijmegen en weet nog dat ik vlak na de communie, in een intieme verbondenheid met God, zeker wist dat ik terug moest naar Rolduc.”
Dat men tegenwoordig niet meer iedere dag of op z’n minst regelmatig de mis bezoekt, ziet Bisschop Wiertz als verarming in het geloof. “Mensen worden teruggeworpen op zichzelf, terwijl juist het samen delen gelukkig maakt en je de woorden en daden geeft om kerkelijk actief te zijn. Maar dat dwingende dat de kerkgang vroeger had, kan natuurlijk ook averechts werken. Mensen die tegenwoordig tot geloof komen, komen in vrijheid tot geloof, ze kiezen zelf. Dat vind ik een goede ontwikkeling.”
Of ook Paus Franciscus een positieve werking heeft op de ontwikkeling binnen de kerk en op de gelovigen? “Zeker weten,” antwoordt de Bisschop resoluut. Al pratend buigt hij zich enthousiast naar voren. “Weet je, Paus Benedictus XVI was een wetenschapper. En dat was prima. Paus Franciscus geeft het geloof handen en voeten, een moment van genade voor de kerk op dít moment. In een Engels tijdschrift omschreef iemand de houding van onze nieuwe Paus als ’teaching by example’, te vertalen als ‘geen woorden, maar daden’. Het feit dat Paus Franciscus door het 15e Internationale Persforum van China op de derde plaats werd gezet in de groep van de tien ‘sleutelfiguren van het jaar 2013’ zegt volgens mij al genoeg, want China erkent de Katholieke kerk niet.” Zijn bewondering voor de eenvoud van Paus Franciscus onderstreepte Wiertz in zijn maandelijkse column van november 2013. ‘Bij zijn verschijnen op het balkon bij zijn verkiezing was menigeen wat verbouwereerd over zijn eenvoudige groet ‘goeden avond’, maar meer nog dat hij nederig voorover boog en de menigte vroeg voor hem te bidden. Als we allen, bisschoppen, priesters en gelovigen en als het kan ook anderen in de maatschappij, daar een voorbeeld aan nemen, verandert niet alleen de kerk, maar verandert ook de wereld.’
Hoewel de Bisschop zich een van nature optimistisch mens noemt, “mijn glas is altijd half vol”, waren de onthulling van vele gevallen van seksueel misbruik van minderjarigen door priesters en andere religieuzen een zwarte bladzijde in zijn leven. “Ik vind het verschrikkelijk wat mensen elkaar aandoen en wat mensen overkomt en in die zin voel ik verantwoordelijkheid voor wat er is gebeurd. Alleen persoonlijk kan ik er niets meer aan de gebeurtenissen van 50 jaar geleden veranderen. Net zoals we niets meer kunnen veranderen aan de slavernij vele jaren terug of de politionele acties in Indonesië zo’n vijftig jaar geleden. Daarom ben ik ook niet afgetreden, zoals dat door sommigen van mij werd verwacht. Is er ooit een minister afgetreden om iets dat jaren voor zijn tijd is gebeurd? Ik vergelijk mijn taak wel eens met die van een vader. In een gezin loop je ook niet weg als er problemen zijn. Uiteindelijk heeft de hele situatie mijn houding ten opzichte van mensen zodanig veranderd, dat ik nog nadrukkelijker, opener en meevoelender ben geworden. Daarbij was er vroeger in onze maatschappij alleen aandacht voor daders. Gelukkig is er in de afgelopen twintig jaar veel veranderd en is er goede en gedegen begeleiding voor slachtoffers, en dan bedoel ik slachtoffers in het algemeen.”
Bisschop Frans Wiertz is inmiddels de 71 gepasseerd. Buiten dat hij af en toe een hand achter zijn oor houdt, als hij de vraag niet goed verstaat, oogt Wiertz nog kwiek. Hoe hij het ouder worden ervaart? “We weten, we worden geboren om te sterven. De eerste vijftig, misschien zestig jaar ben je daar niet zo bewust mee bezig. Maar je komt als mens op zo’n punt dat je beseft dat je het leven los moet laten. Als Bisschop dien je met 75 jaar je ontslag in, dan kan het nog een jaar duren voordat dat ingewilligd wordt, dus dat duurt nog een paar jaar. Overigens zal ik het verantwoordelijkheidsgevoel dat ik als Bisschop heb, ook na mijn pensioen blijven houden, dat leg je niet zo maar naast je neer. Het motto en leerproces in mijn leven: als je anderen probeert te begrijpen, smelt je eigen weerstand.”

Categorieën
Artikelen

Avenue Panache: zon, zakdoeken en zielenroerselen

Voor de tweede keer strijkt het ‘theatercircus’ Avenue Panache neer op het terrein achter Cultuurhuis Heerlen aan de Sittarderweg in Heerlen. Een programma vol muziek, cabaret, dans en theater.

De zon schijnt volop en het is warm. Zeker in de tenten die over het terrein verspreid staan opgesteld. Kleine festivaltenten, waarbinnen zich korte  cabareteske programma’s afspelen. Wie een voorstelling wil bezoeken betaalt een panache, net zoals voor een consumptie. Panaches zijn per vijf te koop aan de kassa.

Om één uur is het is nog rustig op het terrein, waar Marc Charlier als spreekstalmeester de eerste voorstellingen aankondigt en waar Janusch Hallema met zijn muziekcaravan zorgt voor uiteenlopende muziek. Als eerste gaat het naar de Heerlense Merlijn Huntjens die samen met Joey van Doesburg de voorstelling Tomboëzie brengt in de festivaltent met de naam Alcazar. Poëzie op de klanken van de trombone, een ongewone maar heel verrassende combinatie. Snelle staccato zinnen wisselen zich af met rustige voorgedragen poëzie, woorden en zinnen met betekenissen die je als toehoorder even moet laten bezinken. De voorstelling is kort, maar krachtig. Het aantal bezoekers aan het festival is ondertussen iets gegroeid.

Na een glaasje gaat het naar Elysees, de tent waar de in Amsterdam woonachtige Martijn Mulders zijn voorstelling zal laten zien. Mulders heeft al wandelend over het terrein de aanwezigen nieuwsgierig gemaakt. In zijn hand een koffer, want hij gaat zijn publiek meenemen op een muzikale reis naar zijn Vaderland. Meteen bij de eerste tonen van zijn lied is duidelijk dat hier een talent aan het werk is. Zijn stemgeluid dringt krachtig hoofd en hart binnen. De teksten van zijn liederen, over onder andere eenzaamheid, beroeren de aanwezigen. Iedereen staart star naar het podium, omdat de tranen hoog zitten of in sommige gevallen spontaan beginnen te stromen. Even is hij tijdens een lied de tekst kwijt, pakt dat heel professioneel op en het stoort de toehoorders niet. Een uitbundig applaus valt hem ten deel. Menigeen veegt buiten de tranen van de wangen en heeft tijd nodig om zich te herstellen.

De Kerkradenaar Roger Lataster bevolkt de Lexortent waar hij als ‘het Zöampje’, het spermazaadje, de mensen meeneemt op reis naar zijn einddoel. Eigenlijk ontmoet men hem tijdens zijn pauze; de daad laat nog even op zich wachten en Lataster neemt daarom met zijn publiek de zin en onzin van het leven door. De ongeveer vijftien minuten tellende voorstelling is hilarisch. Dat komt voor een groot deel door de show zoals die al vaststaat, maar ook door de gevatte opmerkingen en antwoorden die Lataster spontaan uit zijn mouw schudt. Uit zijn onderhemd in dit geval en lange witte onderbroek. Aan het eind van de show moet ‘het Zöampje’ aan de slag, zijn tijd is gekomen. Samen met Lataster luchtzwemt het publiek de tent uit.

Buiten worden de mensen opgewacht door Rik Rikken die samen met zijn poppen een muzikaal poppentheaterstuk brengt. Onder andere met een enorme baby en dat zorgt weer voor grote hilariteit onder hen die net bij Lataster als spermazaadje naar buiten zijn gezwommen. Rikken breidt zijn podium zelfs uit en speelt korte stukken bij de mensen die op het terras aan de picknicktafels genieten van een drankje en hapje.

Het bezoekersaantal neemt nog steeds toe en aan het eind van de middag mag een groot deel van de artiesten zich verheugen op een volle tent. Zoals in de tent waar Katja Heitmann uit Tilburg, samen met Celine Werkhoven en Sander van der Schaaf, de voorstelling ‘Kraud-fun-ding’ speelt. De voorstelling kan alleen maar bij de gratie van het publiek uitgespeeld worden. Bij inlevering van één panache krijgen de toeschouwers een muntje. Al snel wordt duidelijk dat als de voorstelling stopt iemand uit het publiek een muntje in de daarvoor bestemde spaarpot moet deponeren. Dan gaat het spel verder, tot het volgende muntmoment. Het is moeilijk om in deze tijd als jonge, pas afgestudeerde theatermaker aan het werk te komen, weet Katja Heitmann. Van alle kanten klonk het: ga crowdfunden! Heitmann stak dat idee in een eigen artistiek jasje. Tijdens voorstellingen in andere theaters zijn er geen muntjes, maar betalen de toeschouwers met geld. ‘Neem vooral twee euro muntstukken mee’, staat er op de website van de voorstelling te lezen.

Voor de laatste panache valt de keuze op de voorstelling van Ludique, een eigenzinnige androgyne verschijning uit Amsterdam, die zijn publiek meeneemt op reis door zijn wonderlijke gedachtewereld. Ludique wordt net als Martijn Mulders op piano begeleid door Paul Tijink. De combinatie tussen de muziek en het theaterspel geeft het gevoel in een nachtclub in de jaren vijftig beland te zijn.

In dit rijtje van opvallende artiesten missen er nog een paar, zoals het Trio George Janssen, Leonard de tovenaar en Canick Hermans die ook hun voorstellingen deden op het festivalterrein. De tijd ontbrak, de panaches waren op, maar wellicht zien we hen terug op de derde Avenue Panache in 2014 bij Cultuurhuis Heerlen.

‘In de Lift’, blog van Etage 32

Categorieën
Artikelen

‘Veel mensen beseffen niet hoe afhankelijk we zijn van de natuur’

Buiten is het nog donker, maar in de Brunssumse schaapskooi klinkt ongeduldig geblaat; de kudde staat klaar om de heide op te trekken. Als herder Erik Rietjens (33) de poort opent, buitelen de schapen over elkaar heen. Gehaast volgen ze hun herder, alsof ze bang zijn net dat ene sappige sprietje of knapperige takje mis te lopen.

Rietjens studeerde Industrieel Product Ontwerpen aan de Haagse Hoge School en werkte vele jaren als zelfstandig ontwerper. “Het was altijd mijn doel om producten op zo’n manier te ontwerpen, dat ze nuttig waren voor de mensen maar niet ten koste gingen van het milieu. Ergens begon het te knagen dat die visie niet werd gedeeld door mijn opdrachtgevers. Op dat moment, zo’n zes jaar geleden, bezocht ik de schaapskooi in Brunssum, waar men mij vroeg of ik als herder voor Natuurmonumenten aan de slag wilde gaan. Ik verwisselde de computer voor de natuur en trek sindsdien vijf dagen in de week met een kudde van zo’n vijfhonderd schapen over de Brunssummerheide. Deze wonderlijke wereld stapte ik binnen”, wijst de herder om zich heen. “Voor mij is dit de manier om een positieve bijdrage te leveren aan de wereld. Want door de schapen te laten grazen, gun je meerdere dier- en plantensoorten een plek op deze prachtige heide. Het doel van de begrazing is om de biodiversiteit op de heide in stand te houden, want zonder grazende schapen zouden bos, gras en struiken de heidevelden overwoekeren.”

Meer respect
Met een open blik tuurt de jonge herder de wereld in. De meeste dagen van de week brengt hij door op de heuvelachtige zandgronden van de Brunssummerheide; behept met een flora en fauna waarin amfibieën en reptielen zoals de ringslang en de zandhagedis hun plek hebben gevonden. De wereld die volgens de herder buiten de grenzen van de heide jachtig is en waar mensen vaak niet meer weten hoe ze met de natuur moeten omgaan. Rietjens verbaast zich regelmatig over het gedrag van mensen tijdens hun wandeling over de heide. Baasjes die hun honden los laten lopen en de honden die dan al blaffend de kudde in rennen. “Men heeft niet in de gaten wat dat met de schapen doet. De kudde is als een goedlopende machine en die machine staat op de plek die ik bewust heb gekozen en doet daar zijn werk. Een hond die op de schapen afrent, ontregelt die grazende machine. En terwijl het baasje en zijn viervoeter verder wandelen, mag ik proberen de schapen weer rustig te krijgen. Dus nu begin ik van te voren al te waarschuwen als er een hond aan komt rennen en dat wordt me niet altijd in dank afgenomen. En dan heb ik het nog niet gehad over het afval dat men achterlaat. Of sommige wandelaars die menen dat ze dwars door de heide mogen banjeren en daarbij zeldzame plantjes, mossen of habitats vertrappen. Ik begrijp dat de natuur van iedereen is, maar mensen moeten opnieuw respect krijgen voor alles wat er zich in afspeelt. Ze beseffen vaak niet hoe afhankelijk we er van zijn en hoeveel de natuur ons te bieden heeft.”

Complex
Rietjens leunt op zijn stok en stuurt met een zacht en kort ‘toe-ma’ de schaapshonden Max en Missy naar de kudde. De schapen zijn wat afgedwaald en zoeken tussen de bomen naar eikels. Het lijkt een ongecompliceerd leven zo tussen de schapen; met in zijn rugzak wat te eten en te drinken en zijn kleding aangepast aan de weersomstandigheden van die dag. Maar schijn bedriegt, weet Rietjens. “Achteraf kan ik wel zeggen dat het vak herder veel complexer is dan ik dacht. De diversiteit in kennis over de natuur, de schapen maar ook de honden die je moet trainen. Fysiek uitdagend ook, want probeer een ruim zestig kilo wegend schaap maar eens te vangen en in bedwang te houden om het te onderzoeken als je denkt dat het dier verzorging nodig heeft. Dankzij Natuurmonumenten, die veel kennis, kunde en geld in dit soort prachtige gebieden steekt, geniet ik nog iedere dag van mijn werk. Door de jaren heen heb ik wel ontdekt dat ik een natuur- en buitenmens ben.” Meer informatie over de herders, de kudde, de Brunssummerheide en Natuurmonumenten op www.natuurmonumenten.nl.

Categorieën
Artikelen

‘Coupe Poedel’ en meer onvoorspelbare kapsels

De droogkappen staan er nog opgesteld, als rijen soldaten tijdens het appèl. Wasbakken, stoelen, spiegels, de bezems in de hoek alsof er nog afgeknipt haar bij elkaar moet worden geveegd. Je verwacht dat er ieder moment klanten door de deur naar binnenkomen, zich al lezend in een tijdschrift nestelen in de wachthoek om door de aankomende kapster voorzien te worden van koffie of thee. Maar de ruimte blijft donker en leeg. Waar ooit jonge vrouwen en mannen werden opgeleid tot kapper, herinnert nu alleen nog de in allerijl verlaten, maar nog geheel ingerichte ruimte aan het Kappers Opleidings Instituut.

Over het pand zelf, de Geleenstraat 32 in Heerlen is weinig te vinden in de archieven. Wel zijn er foto’s van een hotel ongeveer op die plek, Hotel de la Poste. Na lang zoeken, blijkt het om een ander huisnummer te gaan. In het ‘Limburgsch Dagblad’ van zaterdag 25 februari 1950 stond namelijk deze oproep: ‘Tweede MEISJE gevr., loon en verval. Hotel de la Poste, Geleenstraat 30, Heerlen’. Henriette van de Laak is nog in het bezit van een telefoonboekje uit 1950. Daarin staat het bovengenoemde adres van Hotel de la Poste vermeld. De eigenaar van het hotel was A.J. Peters.

Wanneer de kappersschool in het pand is getrokken, is niet bekend. Wel is duidelijk, dat jarenlang vele jongens en meisjes er het kappersvak leerden en menig dame of heer er het haar heeft laten kappen. Nu de etage boven de oude kappersschool gebruikt wordt als kantoor en atelier en bezoekers de weg naar boven vinden, komen er mondjesmaat verhalen los. Zoals die loodgieter die weet te vertellen dat zijn dochter er de opleiding heeft gevolgd. “Ik ben hier regelmatig geweest. Maar opeens was de zaak gesloten.” Of die monteur die zich bij binnenkomst meteen herinnert dat hij zijn moeder hier regelmatig afzette. “En dan was het altijd heel spannend of ik haar nog herkende als ik haar weer ophaalde. Ze waren hier nogal van de krullen en kleuren.”

Die ervaring heeft ook Els Otten (63). Als tiener bezocht ze de kappersschool al. “Ik was een jaar of zestien, had wel al verkering met mijn man. Door een vriendin kwam ik in de kappersschool terecht. Je betaalde drie gulden om je haar te laten doen.” De school was volgens Els Otten eigenlijk een soort woonkamer. “Tafeltjes, spiegels, stoelen, leuke meisjes die je knipten of verfden. Natuurlijk liep de baas er ook rond. Hij hield alles in de gaten. ‘Els wat wil je met je haar’ werd er dan gevraagd en zodra ik een kapsel of kleur had uitgezocht ging het meisje aan de slag. Was het niet naar mijn zin, werd het kapsel meteen gecorrigeerd.” Ook herinnert Els zich het moment nog goed dat ze als model met één van de meisjes van de opleiding meeging op examen. “Ze draaide me de haren nogal strak in. De tranen sprongen in mijn ogen. Zo onopvallend mogelijk zei ik dat tegen het meisje, waarna zij de krulspelden iets losser deed, maar dat had de examencommissie meteen in de gaten.”
Zo’n drie jaar bezocht Els als klant de kappersopleiding. “Mijn kapsels werden steeds korter en ik heb alle kleuren gehad; kersenrood, blond, zwart, bruin, grijs en super wit. Alle producten werden natuurlijk op onze haren uitgeprobeerd en toentertijd waren die nog niet zo veilig zoals nu. Uiteindelijk kreeg ik werk, later een gezin en ben ik niet meer gegaan. Maar het was een hele leuke tijd daar in de Geleenstraat, ik heb er van genoten.”

André Blanksma volgde er zijn opleiding als kapper. “In die tijd was de heer Wim van Turnhout er directeur. Zijn vrouw assisteerde hem in bijna alles. Verder waren er twee leraressen en een leraar. Van één lerares weet ik de naam nog, mevrouw Hermans. Van die andere lerares weet ik de naam niet meer, maar ze hadden beiden voor die tijd erg rood haar. Je kon op de kappersopleiding in een jaar de bediende opleiding doen en in twee jaar vakbekwaamheid. In die tijd werkten we met het merk Indola. Ik ben daar op school gekomen omdat volgens mijn moeder niemand anders mij fatsoenlijk het vak zou kunnen leren. Mijn moeder leerde zelf het vak samen met van Turnhout op de kappersschool van Koreman. Jammer dat ik door omstandigheden te vroeg van school ben gegaan. Uiteindelijk heb ik wel mijn diploma gehaald, mede dankzij de goed basis van wat ik hier geleerd had. In de jaren zestig en zeventig maakte mijn moeder zelf ook veelvuldig gebruik van de diensten van deze school. Als ze aankondigde dat ze er heen zou gaan was het aan het eind van die dag altijd weer spannend wat er voor bijzonders te zien was. En ik kan wel zeggen, het was nooit iets saais! Weliswaar goedkoop en ultramodern varieerden de kapsels van coupe poedel (krul in krul en pikzwart geverfd) tot extreme ‘mekkie’, oftewel bijna kaalgeschoren. Op een gegeven moment verbood mijn vader haar om het instituut nog langer te bezoeken. Vanaf dat moment was het leven voor ons een stuk voorspelbaarder.”